Verordening maatschappelijke ondersteuning in duidelijke taal

De overheid maakt wetten. Eén van die wetten is de Wmo. Wmo betekent: Wet maatschappelijke ondersteuning. In deze wet staat dat de gemeente hulp moet geven aan mensen die dat nodig hebben. De gemeente werkt deze wet uit in lokale regels. Deze regels staan in een document dat een verordening heet. De gemeenteraad moet deze regels goedkeuren. De regels in de verordening gaan over hulp aan volwassenen, hulpmiddelen en aanpassingen in huis voor volwassenen en kinderen.

Let op: Hieronder leggen we uit wat er in deze verordening staat. Om het begrijpelijk te houden is deze tekst niet zo compleet als de verordening zelf. Daarom heeft de gemeenteraad deze eenvoudigere versie niet juridisch goedgekeurd. Wilt u meer juridische uitleg of bezwaar maken? Lees dan de rechtsgeldige Wmo verordening op lokaleregelgeving.nl.

Artikel 1. Begrippen

Van een aantal woorden is het belangrijk om te begrijpen wat ze betekenen. 

In de verordening bedoelen we met ‘Algemeen gebruikelijke voorziening’ een hulpmiddel die iedereen kan kopen en gebruiken, niet speciaal is voor mensen met een beperking en beschikbaar is. Het hulpmiddel helpt om zelfstandig te blijven of mee te doen en moet betaalbaar zijn voor mensen met een minimuminkomen. 

Met ‘Andere voorziening’ bedoelen we hulp die niet onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) valt.  

Met ‘Cliënt’ bedoelen we de inwoner die hulp vraagt. Soms doet iemand anders dat namens de cliënt, bijvoorbeeld een gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger.

Met ‘Eigen kracht’ bedoelen we wat iemand zelf kan doen om zelfstandig te blijven of mee te doen. Dit kan met hulp van familie, vrienden of het sociale netwerk. Er is dan geen hulp van de gemeente nodig.

Met ‘Hoofdverblijf’ bedoelen we het vaste woonadres in Stadskanaal waar iemand woont.

Met ‘Hulpvraag’ bedoelen we de vraag om hulp om het dagelijks leven goed aan te kunnen en mee te kunnen doen in de samenleving.

Met ‘Ingezetene’ bedoelen we een inwoner die in Stadskanaal woont. Met ‘Melding’ bedoelen we het doorgeven van uw hulpvraag aan de gemeente.

Met ‘Nadere regels’ bedoelen we de regels die gelden in de gemeente Stadskanaal.

Met ‘Pgb’ bedoelen we een persoonsgebonden budget. Daarmee kunt u zelf hulp inkopen.

Met ‘Uitvoeringsbesluit’ bedoelen we de regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Met ‘Wet’ bedoelen we de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Alle andere woorden omschreven in de verordening hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2. Melding 

Heeft u hulp nodig, dan kunt u dit aan de gemeente vragen. Uw vraag noemen wij een ‘melding’. De hulp die u nodig heeft, noemen we de ‘hulpvraag’. U kunt uw hulpvraag op verschillende manieren melden bij de gemeente. U mag dat zelf doen. Iemand anders mag dat ook voor u doen. Als wij uw melding hebben ontvangen, sturen wij u een schriftelijke bevestiging. Daarna maken wij zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek.

Artikel 3.  Cliëntondersteuning

Cliëntondersteuning is hulp van iemand die meedenkt, informatie geeft en helpt bij het regelen van zorg of ondersteuning. U mag altijd gebruik maken van gratis en onafhankelijke clientondersteuning. Wij vertellen u en uw mantelzorger dat u deze hulp kunt krijgen. Dit doen wij vóór het onderzoek.

Artikel 4. Onderzoek

Bij het onderzoek hoort een gesprek. Dit gesprek is met u en/of degene wie u bij het gesprek aanwezig wilt hebben. Als het kan, ook met uw mantelzorger. Soms spreken we ook andere mensen. We bespreken uw situatie en de melding die is gedaan. Tijdens het gesprek leggen we duidelijk uit welke keuzes u heeft. We vertellen wat een maatwerkvoorziening is en wat de gevolgen van uw keuze zijn. We vertellen u hoe u een aanvraag kunt doen. Als extra onderzoek nodig is, kunnen we vragen aan u, uw mantelzorger of huisgenoten om mee te werken. Dit kan een gesprek zijn of een onderzoek door een deskundige. Soms vragen we advies aan een speciale adviesinstantie. U krijgt altijd een schriftelijk verslag van het onderzoek. Daarin staat welke zorg u kunt krijgen. Daarin staat ook een samenvatting van het gesprek

Artikel 5. Hoe vraagt u een maatwerkvoorziening aan?

Het verslag van het onderzoek telt alleen als aanvraag als de cliënt: het verslag heeft ondertekend en een datum heeft ingevuld. U kunt een aanvraag doen met het ondertekende verslag van het gesprek. Wilt u dat niet? Dan kunt u ook een aanvraag doen met een formulier van het college.

Artikel 6. Wanneer krijgt u een maatwerkvoorziening?

U kunt een maatwerkvoorziening krijgen als u moeite heeft om voor uzelf te zorgen of meedoen. Dit geldt alleen als u de moeite die u heeft om voor uzelf te zorgen niet kunt oplossen met:

uw eigen kracht en/of hulp die gebruikelijk is en/of mantelzorg en/of hulp van mensen uit uw netwerk en/of voorzieningen die normaal zijn en/of algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen.

Heeft u problemen met gevoelens of gedachten waardoor het dagelijks leven moeilijker wordt of problemen door stress of moeilijke situaties in het leven of bent u weggegaan door huiselijk geweld? Dan kunt u een maatwerkvoorziening krijgen om u te helpen in de samenleving. Dit geldt alleen als u deze problemen niet kunt oplossen met: uw eigen kracht en/of hulp die gebruikelijk is en/of mantelzorg en/of

hulp van mensen uit uw netwerk en/of voorzieningen die normaal zijn en/of algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen. Het college kan extra regels maken over de maatwerkvoorzieningen die er zijn.

Artikel 7. Gebruikelijke hulp en eigen kracht 

U krijgt pas een maatwerkvoorziening als u zelf geen oplossing kunt vinden met gebruikelijke hulp. Hieronder wordt uitgelegd wat gebruikelijke hulp is. Gebruikelijke hulp is hulp die normaal is in een huishouden. Deze hulp mag u verwachten van: uw partner, uw ouders, uw kinderen die bij u in huis wonen 
of andere huisgenoten. Het gaat om dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar geven. Zij hebben samen verantwoordelijkheid voor het huishouden en elkaar.

Het college kijkt of de hulp kort of lang nodig is. Kortdurend: herstel is mogelijk binnen zes maanden.
Langdurend: hulp is langer dan zes maanden nodig. Bij kortdurende situaties verwacht het college dat huisgenoten extra hulp geven. Dit is hulp die meer is dan normaal gesproken. Bij langdurende situaties verwacht het college dat huisgenoten de normale hulp geven. 

Het college kijkt in ieder geval bij langdurende situaties naar deze punten over de cliënt: relatie met de huisgenoot, hoeveel hulp nodig is, hoe lang en hoe zwaar de hulp is of de hulp te plannen is en wat de cliënt zelf kan. 

Het college kijkt ook naar deze punten over de huisgenoot: leeftijd, woonsituatie, tijd om hulp te geven, kennis en vaardigheden, wat iemand lichamelijk en mentaal aan kan, problemen zoals schulden of relatieproblemen, werk en sociale verplichtingen, belang van werk en inkomen, of er financiële problemen kunnen ontstaan door hulp.
 

Bij (dreigende) overbelasting (wat iemand lichamelijk en mentaal aan kan en of het te zwaar wordt of dreigt te zwaar te worden) geldt: Er moet een duidelijk verband zijn tussen de overbelasting en de hulp.

Komt stress door werk of andere zaken? Dan moet daar eerst een oplossing worden gezocht door de huisgenoot. Het college bekijkt wat wordt gedaan om stress te verminderen. Kan stress minder worden door werk of activiteiten anders in te richten? Dan verwacht het college dat eerst.

Is er (dreigende) overbelasting? Dan krijgt de huisgenoot geen pgb voor hulp. Een eerder pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener helpt dan. 

Het college kijkt ook naar de eigen kracht van de cliënt: Kan de cliënt zelf keuzes maken? Kan de cliënt zelf oplossingen vinden? Is er hulp van familie of vrienden? Kan de cliënt zelf gebruikmaken van algemene voorzieningen? Kan de cliënt zelf een oplossing vinden? Dan krijgt hij geen maatwerkvoorziening.

Artikel 8. Voorwaarden en wanneer krijgt u géén maatwerkvoorziening?

Als een maatwerkvoorziening nodig is, geeft het college de goedkoopste passende oplossing. De voorziening moet veilig zijn voor u en uw omgeving. De voorziening mag geen gezondheidsrisico’s geven en mag herstel niet tegenwerken. 
U krijgt géén maatwerkvoorziening:

  • als er een andere wettelijke regeling is voor uw probleem;
  • als u de voorziening al had vóór de melding of al heeft geaccepteerd voor de melding, behalve bij een noodsituatie;
  • als u de voorziening na de melding maar vóór het besluit zelf regelde, zonder toestemming;
  • als u de voorziening eerder kreeg en deze nog niet is afgeschreven, behalve bij verlies buiten uw schuld;
  • als de voorziening niet vooral voor u is bedoeld;
  • als de voorziening bij nieuwbouw of renovatie zonder extra kosten kan worden gemaakt;
  • als u een indicatie heeft voor zorg met verblijf (Wet langdurige zorg) of u niet wilt meewerken aan het krijgen van een indicatie, maar er wel redenen zijn dat u hiervoor in aanmerking kan komen.

    U krijgt geen maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie als de hulp niet langdurig nodig is. U krijgt deze voorziening ook niet als u geen inwoner bent van de gemeente Stadskanaal.

Bij een vervoersvoorziening geldt: alleen voor ritten in uw directe omgeving en maximaal 2.000 kilometer per jaar.

U krijgt géén woonvoorziening:

  • als uw woning slecht onderhouden is of niet voldoet aan wettelijke eisen;
  • als u daar niet woont of niet gaat wonen;
  • als de ruimte niet geschikt is voor permanente bewoning;
  • voor gemeenschappelijke ruimtes, behalve voor: automatische deuren, hellingbanen, bredere deuren, plaatsen van drempelhulpen, of vlonders, of opstelplaats bij de deur;
  • als u verhuisde zonder dat het nodig is voor uw beperking en zonder belangrijke reden;
  • als u niet naar een geschikte woning verhuisde, zonder toestemming van het college;
  • als de voorziening bij nieuwbouw of renovatie zonder extra kosten kan worden meegenomen;
  • Uitzondering: woont u in een Wlz-instelling? Dan kan één woonruimte bezoekbaar worden gemaakt;
  • als u verhuist naar een woning die niet het hele jaar bewoond kan of mag worden;
  • in een doelgroepgebouw of ADL-woning (in gemeenschappelijke ruimtes), behalve als de voorziening onmisbaar is voor de doelgroep.

Artikel 9. Toegang en besluit

Het college zet het besluit in een beschikking. Daarin staat of u wel of geen maatwerkvoorziening krijgt. U moet, zo nodig, binnen 3 maanden na de datum van het besluit: zich melden bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening, of het pgb gebruiken voor het afgesproken resultaat.

Artikel 10. Wat staat er in de beschikking?

In de beschikking staat of u de maatwerkvoorziening krijgt in natura of als pgb. Bij een maatwerkvoorziening in natura staat in ieder geval in de beschikking:

  • welke voorziening u krijgt en wat het doel is;
  • vanaf wanneer u de voorziening krijgt en hoe lang;
  • informatie over uw eigen bijdrage;
  • de termijn van 3 maanden waarin u zich moet melden bij de aanbieder (zie artikel 9 lid 2);
  • hoe groot de voorziening is;
  • welke andere voorzieningen belangrijk zijn of kunnen zijn. 

Bij een maatwerkvoorziening als pgb staat in ieder geval in de beschikking:

  • waarvoor u het pgb moet gebruiken;
  • welke kwaliteitseisen gelden voor het pgb;
  • hoe hoog het pgb is en hoe dit is berekend;
  • vanaf wanneer u het pgb krijgt en hoe lang;
  • de termijn van 3 maanden waarin u het pgb moet gebruiken;
  • hoe u laat zien waar u het pgb aan besteedt;
  • informatie over uw eigen bijdrage.

Artikel 11. Regels voor een persoonsgebonden budget

Wilt u zelf ondersteuning inkopen met een persoonsgebonden budget?
Het college kijkt of u voldoet aan: de voorwaarden in artikel 2.3.6 lid 2 van de wet en de landelijke regels van de rijksoverheid over pgb-vaardigheid.

Het college bepaalt de hoogte van het pgb op basis van uw budgetplan.
In het budgetplan staat in elk geval:

  • hoe u zelf of met hulp de pgb-taken goed uitvoert;
  • waarom u een pgb wilt;
  • welke voorziening u wilt kopen en bij wie;
  • hoe u zorgt dat de voorziening goed en geschikt is;
  • de kosten van de voorziening (aantal en tarief).

U mag het pgb niet gebruiken voor:

  • kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers;
  • kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
  • kosten voor hulp bij aanvragen en beheren van een pgb;
  • kosten voor een feestdagenuitkering of eenmalige uitkering;

Het college kan extra regels maken over kosten die niet mogen. Het pgb mag alleen worden gebruikt voor afgesproken zorg en niet voor andere uitgaven. U mag het pgb meestal niet gebruiken in het buitenland.

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank vragen om betalingen geheel of gedeeltelijk tijdelijk te stoppen. Dit mag maximaal 13 weken als duidelijk is dat u het pgb anders verkeerd gebruikt.

Artikel 12. Verschil tussen formele en informele hulp

Het college maakt verschil tussen formele en informele hulp bij het bepalen van het pgb-bedrag. Formele hulp kan zijn vanuit een instelling of een zelfstandige zonder personeel (zzp’er). Formele hulp is niet van iemand uit uw eigen sociale netwerk. Informele hulp is een bekende van u. Dat kan bijvoorbeeld familie zijn. Maar ook hulp die voldoet aan formele hulp, maar tot uw sociaal netwerk behoort.

Artikel 13. Hoe wordt de hoogte van het pgb bepaald?

De gemeente past elk jaar de pgb-tarieven aan op basis van landelijke richtlijnen. Er zijn verschillende pgb-tarieven: 

  • formele hulp vanuit een instelling: 100% van het tarief van zorg in natura
  • formele hulp door een zzp’er: 70% van het tarief van zorg in natura
  • informele hulp: gebaseerd op cao VVT

Als het nodig is kan de gemeente het tarief voor informele hulp verhogen voor het betalen van werkgeverslasten. In de verordening staat hoe de gemeente de pgb-bedragen berekent.

Artikel 14. Hoogte van het pgb voor beschermd wonen

In dit artikel staat omschreven hoe het pgb voor beschermd wonen wordt berekend.

Het pgb voor beschermd wonen (formeel en zzp) is:

Voor verblijf met toezicht op afroep of 24-uurs toezicht

  • maximaal 100% van het tarief zorg in natura (ZIN) bij een instelling die vergelijkbaar is met een gecontracteerde instelling;
  • maximaal 85% van het ZIN-tarief als u zorg inkoopt bij een zzp’er.

Voor woonbegeleiding complex (intra- en extramuraal)

  • 100% van het ZIN-tarief per uur bij een instelling;
  • maximaal 85% van het ZIN-tarief bij een zzp’er.

Voor ‘Thuis Plus’ (1–3 uur, 4–6 uur, 7–10 uur per week)

  • 100% van het ZIN-tarief bij een instelling;
  • maximaal 85% van het ZIN-tarief bij een zzp’er.

Voor activering en meedoen

  • 100% van het ZIN-tarief per dagdeel;
  • als nodig, kan het college een passend tarief voor vervoer vaststellen.

Het college past het pgb-tarief voor beschermd wonen elk jaar aan per 1 januari. Dit gebeurt op basis van de dan geldende ZIN-tarieven.

Artikel 15. Financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming is een vast bedrag die de gemeente u kan geven. U komt in aanmerking als u moeite heeft om voor uzelf te zorgen en meedoen. Het gaat om één van deze voorzieningen: verhuiskosten en herinrichting, vervoer met eigen auto, bezoekbaar maken van een woning. In dit artikel staat hoe de gemeente de financiële tegemoetkoming bepaald.

Artikel 16. Eigen bijdrage voor voorzieningen

Meestal betaalt u mee aan de Wmo-hulp die u ontvangt. Dit heet de bijdrage in de kosten, of eigen bijdrage. Dit geldt voor hulp in natura, een pgb en een financiële tegemoetkoming. De bijdrage is nooit hoger dan de prijs van de hulp. Is een hulpmiddel nodig voor uw kind, dan hoeft u meestal niet mee te betalen. Bij een woningaanpassing voor een kind betalen de ouders de eigen bijdrage. Voor Wmo-vervoer geldt een reizigersbijdrage. Dit is vergelijkbaar met de prijs van een rit met de bus over dezelfde afstand.

Artikel 17. Voorkomen van misbruik en verkeerd gebruik

Het college legt duidelijk uit wat uw rechten en plichten zijn. Ook vertelt het college wat de gevolgen zijn van misbruik of verkeerd gebruik van de wet. Het college controleert regelmatig of:

  • u nog recht heeft op de maatwerkvoorziening;
  • de voorziening of het pgb nog voldoende is
  • u nog voldoet aan de voorwaarden;
  • u de voorziening of het pgb gebruikt waarvoor het bedoeld is.

Artikel 18. Verrekening

Het college mag een bedrag dat u moet terugbetalen verrekenen. Dit betekent: het college houdt dit bedrag in op geld dat u nog krijgt volgens de wet.

Artikel 19. Eisen voor goede kwaliteit van ondersteuning

De gemeente vindt kwaliteit van de hulp belangrijk. Dit geldt ook voor hulp die inwoners regelen met een pgb. De gemeente maakt afspraken over de kwaliteit met de aanbieders die een contract hebben. De afspraken gaan bijvoorbeeld over veiligheid en of de aanbieder de hulp geeft die écht nodig is. De gemeente verwacht dat de aanbieder hulp geeft die goed past bij de inwoner.

Artikel 20. Melden van ernstige gebeurtenissen en geweld

Het college maakt een regeling voor het melden van ernstige gebeurtenissen en geweld bij het leveren van een voorziening. Het college wijst hiervoor een toezichthouder aan. Dit is iemand die controleert of regels worden gevolgd. Aanbieders melden direct elke ernstige gebeurtenis en elk geweld bij de toezichthouder.

De toezichthouder onderzoekt deze meldingen. Hij geeft advies aan het college om nieuwe gebeurtenissen en geweld te voorkomen. Het college kan extra regels maken over hoe aanbieders ernstige gebeurtenissen en geweld moeten melden.

Artikel 21. Verhouding tussen prijs en kwaliteit bij levering door bedrijven of organisaties

Het is belangrijk dat de gemeente aanbieders genoeg betaalt zodat zij hulp van goede kwaliteit kunnen geven. Het gaat om meer dan alleen loonkosten. De aanbieders moeten ook de andere kosten kunnen betalen, bijvoorbeeld: administratiekosten, reiskosten en (extra) opleidingen van personeel. Voor hulpmiddelen houdt de gemeente ook rekening met de marktprijs en de kosten van aanmeten, leveren en onderhoud.

Artikel 22. Jaarlijkse waardering voor mantelzorgers

Het college maakt regels voor de jaarlijkse waardering van mantelzorgers.Deze waardering is voor mantelzorgers van cliënten in onze gemeente. In de regels staat waaruit deze waardering bestaat.

Artikel 23. Klachtregeling

(Zorg)organisaties die een voorziening leveren, moeten een regeling hebben voor klachten.
In deze regeling staat hoe zij klachten van inwoners afhandelen. Het college controleert of deze bedrijven of organisaties zich aan de regels houden. Dat doet het college door regelmatig overleg en een jaarlijks onderzoek naar ervaringen van inwoners.

Artikel 24. Medezeggenschap

(Zorg)organisaties die een voorziening leveren, moeten een regeling hebben voor medezeggenschap. Inwoners die hulp krijgen kunnen meepraten over voor hun belangrijke beslissingen. Het college controleert of deze bedrijven of organisaties zich aan deze regels houden. Dat doet het college door regelmatig overleg en een jaarlijks onderzoek naar ervaringen van inwoners.

Artikel 25. Inwoners betrekken bij beleid

Het college betrekt inwoners bij het maken van beleid in het sociaal domein. Dit doet het college met de Participatieraad Stadskanaal.

Artikel 26. Hardheidsclausule

Het college mag in bijzondere gevallen afwijken van deze regels. Dit doet het college alleen als de regels voor een inwoner duidelijk oneerlijk uitpakken. De afwijking is altijd in het voordeel van de inwoner.

Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsregels

De oude verordening uit 2015 stopt. De naam van die verordening is: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2015. Inwoners die nu een voorziening hebben op basis van die oude verordening, houden die voorziening. Dit geldt totdat het college een nieuw besluit neemt.
Aanvragen die zijn gedaan onder de oude verordening, maar waar nog geen besluit over is genomen, worden behandeld volgens deze nieuwe verordening. Bezwaar tegen een besluit op basis van de oude verordening wordt nog afgehandeld volgens die oude verordening. Die regels blijven daarvoor geldig.

Artikel 28. Startdatum en naam van de verordening

De verordening is geldig vanaf 1 januari 2026. De naam van de verordening is: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026.