De raad van de gemeente Stadskanaal;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 oktober 2025, nr. Z-25-155490/D/25/383953;
gelet op het advies van de Participatieraad Stadskanaal;
gelet op de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4 eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, artikel 2.1.4b tweede lid, artikel 2.1.5 eerste lid, artikel 2.1.6, artikel 2.1.7, artikel 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
overwegende dat:
- •
het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;
- •
het noodzakelijk is om cliënten met psychische of psychosociale problemen en cliënten die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;
- •
het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen over de invulling van de plicht tot ondersteuning.
b e s l u i t :
vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026;
Artikel 1. Begripsbepalingen
- 1.
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:
- •
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
- •
daadwerkelijk beschikbaar is;
- •
een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, en;
- •
financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
- b.
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet;
- c.
cliënt: onder cliënt wordt in voorkomende gevallen ook verstaan degene die namens de cliënt als gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger bevoegdelijk optreedt;
- d.
eigen kracht: het vermogen van een persoon om, al dan niet met behulp van zijn sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid en participatie in de samenleving te behouden of te herstellen, zonder dat daarvoor direct een beroep op gemeentelijke voorzieningen noodzakelijk is;
- e.
hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft;
- f.
hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet;
- g.
ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Stadskanaal;
- h.
melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet;
- i.
nadere regels: geldende nadere regels gemeente Stadskanaal;
- j.
pgb: persoonsgebonden budget;
- k.
uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
- l.
wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
- 2.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Melding
- 1.
Een hulpvraag kan door of namens de cliënt vormvrij bij het college worden gemeld.
- 2.
Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
Artikel 3. Cliëntondersteuning
- 1.
Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning.
- 2.
Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 4. Onderzoek
- 1.
Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen.
- 2.
De factoren genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek.
- 3.
Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een maatwerkvoorziening en wat de gevolgen van die keuze zijn.
- 4.
Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 5 in te dienen.
- 5.
Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.
- 6.
Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.
- 7.
Het college geeft de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek.
Artikel 5. Aanvraag
- 1.
Het onderzoeksverslag wordt aangemerkt als aanvraag voor een maatwerkvoorziening indien het formulier door de cliënt:
- a.
- b.
is voorzien van een dagtekening.
- 2.
Een aanvraag wordt ingediend door middel van een ondertekend verslag van het gesprek. Als de cliënt dit wenst, kan ook een aanvraag worden ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
Artikel 6. Algemene criteria
- 1.
Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
- a.
- b.
gebruikelijke hulp en/of;
- c.
- d.
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
- e.
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
- f.
algemene voorzieningen en/of;
- g.
- 2.
Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die vanwege huiselijk geweld of om andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
- a.
- b.
gebruikelijke hulp en/of;
- c.
- d.
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
- e.
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
- f.
algemene voorzieningen en/of;
- g.
- 3.
Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van lid 1 en lid 2 beschikbaar zijn.
Artikel 7. Gebruikelijke hulp en eigen kracht
- 1.
De cliënt komt pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als hij zelf geen oplossing kan vinden voor de hulpvraag met gebruikelijke hulp.
- 2.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van:
Het is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat ze samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.
- 3.
Het college maakt bij de beoordeling of de (gebruikelijke) hulp van de huisgenoot verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- a.
Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het gaat hierbij over een periode van maximaal zes maanden gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden.
- b.
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan zes maanden nodig is.
- 4.
Het college verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties de benodigde hulp bieden. Het gaat hierbij ook om hulp die meer omvat dan alleen de gangbare gebruikelijke hulp.
- 5.
Het college verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de gebruikelijke hulp bieden. Wat gebruikelijke hulp is, wordt bepaald aan de hand van de leden 6, 7 en 8.
- 6.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de cliënt:
- a.
De aard van de relatie met de huisgenoot
- b.
De mate van hulp die cliënt nodig heeft
- c.
De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit
- d.
De mate van planbaarheid van de hulp
- e.
De behoeften en mogelijkheden van de cliënt
- 7.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de huisgenoot:
- a.
De leeftijd van de huisgenoot
- b.
- c.
De beschikbaarheid om de hulp te bieden
- d.
De kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden
- e.
De lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot
- f.
Of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot (zoals relationele problemen of schulden)
- g.
Welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen
- h.
Het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgen
- i.
De vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp
- 8.
Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende:
- –
Er moet een aantoonbaar verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de cliënt.
- –
Als de (over)belasting komt door op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de cliënt om, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
- –
Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- –
Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht.
- 9.
Als sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan cliënt door een huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp.
- 10.
De beoordeling van de eigen kracht geschiedt aan de hand van de volgende afwegingsfactoren:
- a.
de mate waarin de cliënt in staat is regie te voeren over zijn dagelijks leven;
- b.
het probleemoplossend vermogen van de cliënt, waaronder het vermogen om hulp of informatie te organiseren;
- c.
de beschikbaarheid en inzetbaarheid van sociale netwerken of andere informele hulpbronnen;
- d.
de mate waarin de cliënt in staat is zelfstandig gebruik te maken van algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen.
- 11.
Indien uit het onderzoek blijkt dat de cliënt redelijkerwijs in staat is om met inzet van eigen kracht tot een oplossing te komen, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover deze oplossing afdoende is.
Artikel 8. Voorwaarden en weigeringsgronden
- 1.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.
- 2.
De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.
- 3.
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
- a.
als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
- b.
als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
- c.
als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
- d.
als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;
- e.
indien deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht;
- f.
indien de voorziening bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten gerealiseerd kan worden;
- g.
als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is;
- 4.
Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als:
- a.
deze niet langdurig noodzakelijk is;
- b.
de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Stadskanaal.
- 5.
Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 2.000 kilometer per kalenderjaar.
- 6.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
- a.
als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
- b.
als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;
- c.
ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning.
- d.
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.
- e.
als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;
- f.
als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
- g.
als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;
- h.
In afwijking van lid 6 onderdeel b van dit artikel en artikel 2.3.5. lid 6 van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woonruimte bezoekbaar gemaakt worden.
- i.
als wordt verhuisd naar een woonruimte die niet geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden of waar dat niet is toegestaan.
- j.
in een doelgroepgebouw/ADL-woning (in de gemeenschappelijke ruimtes) als deze voorziening onmisbaar is voor de doelgroep op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen.
Artikel 9. Toegang en besluit
- 1.
Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking.
- 2.
De cliënt moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen 3 maanden gebruiken voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.
Artikel 10. Inhoud beschikking
- 1.
In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.
- 2.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:
- a.
welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
- b.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- c.
informatie over de eigen bijdrage;
- d.
indien van toepassing de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 7 lid 2;
- e.
de omvang van de voorziening, en
- f.
indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
- 3.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:
- a.
aan welk doel het pgb moet worden besteed;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is vastgesteld;
- d.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- e.
de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 7 lid 2;
- f.
hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden;
- g.
informatie over de eigen bijdrage.
Artikel 11. Regels voor een pgb
- 1.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden en aan de landelijke toetsingskaders PGB van de rijksoverheid inzake pgb-vaardigheid.
- 2.
De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door cliënt opgesteld budgetplan. In het budgetplan is in elk geval opgenomen:
- a.
hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
- b.
wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;
- c.
welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;
- d.
op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
- e.
de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
- 3.
Het pgb mag niet worden besteed aan:
- a.
kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers;
- b.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- d.
kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;
- 4.
Het college kan bij nadere regels bepalen welke kosten nog meer niet in aanmerking komen voor pgb.
- 5.
Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
- 6.
Een pgb kan in beginsel niet worden besteed in het buitenland.
- 7.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp
- 1.
Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
- 2.
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
- b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- 3.
Informele hulp is:
- a.
Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, of;
- b.
Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen, of;
- c.
Hulp die wordt geboden door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad geldt altijd het informele tarief.
Artikel 13. Hoogte pgb
- 1.
De hoogte van een PGB wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.
- 2.
De hoogte van het pgb voor vervoer is gebaseerd op de autokosten volgens Nibud, met een uitgangspunt van 2.000 kilometer per kalenderjaar.
- 3.
Het formele tarief voor een pgb voor een maatwerkvoorziening bedraagt:
- a.
Voor instellingen geldt een pgb-tarief afgeleid van het zorg in natura tarief en is gebaseerd op een reële kostprijsberekening voor gecontracteerde aanbieders, tenzij op basis van het door pgb-houder ingediende budgetplan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht;
- b.
Voor zzp’ers 70% van het betreffende tarief voor gecontracteerde zorg in natura, tenzij op basis van het door de pgb-houder ingediende budgetplan, passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht, met uitzondering van begeleiding groep, kortdurend verblijf en vervoer;
- 4.
De hoogte van het pgb voor informele hulp wordt berekend op basis van de hoogste periodiek behorende bij de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren, met uitzondering van begeleiding groep, kortdurend verblijf en vervoer. In geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij werkgeverslasten afgedragen moeten worden, wordt het pgb verhoogd met deze werkgeverslasten. Hierbij gaat het college uit van het lage tarief, tenzij niet aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan. Dan verhoogt het college het pgb met het hoge tarief. Beide tarieven worden (mede) gepubliceerd op de website van de SVB.
Mocht het lagere tarief zijn gehanteerd, en later blijken dat het hogere tarief van toepassing is, dan verhoogt het college ook achteraf nog het budget.
Artikel 14. Hoogte pgb beschermd wonen
- 1.
Beschermd wonen (formeel en zzp) op de onderdelen:
- a.
Verblijf accommodatie met toezicht op afroep of 24 uurs toezicht bedraagt maximaal 100% van het inkooptarief zorg in natura (ZIN), indien de zorg/ondersteuning wordt ingekocht bij een instelling die wat betreft aard en kwaliteit vergelijkbaar is met een gecontracteerde instelling. Indien de zorg door een zzp’er wordt ingekocht bedraagt het tarief maximaal 85% van het inkooptarief ZIN;
- b.
Woonbegeleiding complex (intra- en extramuraal) bedraagt 100% van het inkooptarief ZIN per uur en ingeval van inkoop via zzp’er wordt ingekocht bedraagt het tarief maximaal 85% van het inkooptarief ZIN;
- c.
‘Thuis Plus’ voor de bandbreedte 1 – 3 uur, 4 – 6 uur en 7 – 10 uur per week bedraagt indien de ondersteuning wordt ingekocht bij een instelling 100 % en ingeval van inkoop via zzp’er maximaal 85% van het inkooptarief ZIN;
- d.
Activering en participatie bedraagt 100% van het inkooptarief ZIN per dagdeel en kan, indien noodzakelijk, een door het college vast te stellen adequaat tarief voor vervoer worden gehanteerd.
- 2.
De hoogte van het tarief pgb beschermd wonen wordt jaarlijks per 1 januari opnieuw afgeleid van de dan geldende ZIN tarieven.
Artikel 15. Financiële tegemoetkoming
Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming indien dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om één van de volgende voorzieningen gaat:
- a.
de kosten voor verhuizen en herinrichting. De hoogte is gebaseerd op de werkelijke kosten, gebaseerd op de grootte van de leefeenheid en de NIBUD prijzengids, met een maximum zoals bepaald in de nadere regels;
- b.
de kosten voor vervoer per eigen auto, indien dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De hoogte is gebaseerd op de kosten, gebaseerd op de NIBUD prijzengids, met een maximum zoals bepaald in de nadere regels. Het uitgangspunt is dat de cliënt 2000 km per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen reizen.
- c.
De kosten voor het bezoekbaar maken van een woonruimte. De hoogte is gebaseerd op de werkelijke kosten, gebaseerd op de NIBUD prijzengids, met een maximum zoals bepaald in de nadere regels.
Artikel 16. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
- 1.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
- 2.
Voor de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 respectievelijk artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015.
- 3.
Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:
- a.
de onderhoudsplichtige ouders en;
- b.
degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
- 4.
In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:
- a.
- b.
Vervoer, met uitzondering van het gestelde in het zevende lid.
- 5.
De bij verordening aangewezen voorziening is :
- a.
Algemene voorziening voor mensen met een verstandelijke of psychische beperking.
- 6.
Er is geen bijdrage verschuldigd voor de algemene voorziening voor mensen met een verstandelijke of psychische beperking.
- 7.
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van het gebruik van collectief vervoer. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer € 0,33 per kilometer, met een instaptarief van € 2,21. Inwoners met een beperking kunnen in een gebied van 22 kilometer reizen rondom het woonadres met uitzondering van puntbestemmingen. Boven dit geldende maximaal te reizen aantal kilometers geldt het tarief van de vervoerder. Voor medereizigers die geen geregistreerd huisgenoot zijn geldt een bijdrage per kilometer die door de vervoerder op basis van de overeenkomst wordt vastgesteld.
- 8.
In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.
- 9.
De kostprijs van een:
- a.
Maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;
- b.
Maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening;
- c.
Pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.
- 10.
Het college verstrekt de voorzieningen opvang en Beschermd Wonen conform het daartoe vastgesteld beleid.
Artikel 17. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening
- 1.
Het college informeert cliënten op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
- 2.
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of:
- a.
de cliënt nog op de maatwerkvoorziening is aangewezen;
- b.
de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb nog toereikend is;
- c.
de cliënt nog voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb;
- d.
de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
Artikel 18. Verrekening
Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.
Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
- 1.
Met inachtneming van en toepassing van de Toetsingskader(s) Wmo dragen de zorgaanbieders zorg voor een goede kwaliteit van de voorzieningen en de juiste deskundigheid van de beroepskrachten conform de daaraan gestelde eisen. De zorgaanbieders dragen daarbij met name (ook) zorg voor:
- a.
voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
- b.
voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning;
- c.
inzet van de juiste deskundigheid;
- d.
ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;
- e.
er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.
- 2.
Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.
- 3.
Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen onverminderd andere handhavingsbevoegdheden.
- 4.
Het college kan, zoals bij wet bepaald, van een aanbieder vereisen dat de zorgmedewerkers die zorg verlenen aan de cliënt, in het bezit zijn van een verklaring omtrent gedrag.
- 5.
Het college toetst de doelmatigheid en rechtmatigheid gelet op artikel 19, lid 1.
Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
- 1.
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
- 2.
Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.
- 3.
De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
- 4.
Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
- 1.
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
- a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of
- b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
- i.
een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en
- ii.
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
- 2.
Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
- a.
conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
- 3.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:
- a.
kosten van de beroepskracht;
- b.
redelijke overheadkosten;
- c.
kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
- d.
reis- en opleidingskosten;
- e.
indexatie van loon binnen een overeenkomst;
- f.
overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
- 4.
Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
- 5.
Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.
Artikel 23. Klachtregeling
- 1.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.
- 2.
Het college ziet toe op de naleving van de klachtregelingen van andere aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 24. Medezeggenschap
- 1.
Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.
- 2.
Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 25. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van beleid op het sociaal domein middels de Participatieraad Stadskanaal.
Artikel 26. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan.
Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
- 1.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2015 wordt ingetrokken.
- 2.
Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
- 3.
Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening.
- 4.
Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2015, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2015 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.
Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
- 2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026.